Beflijsters

plaatje Ik kom uit de Noordoostpolder. Ben daar geboren en getogen. Heb er mijn eerste echte vogel gezien: een Goudvink, in het vlierbosje bij de brug over de Marknesservaart. Ik was een jaar of acht. Twee jaar later wees Piet Bremer me tijdens een excursie van de CJN op mijn eerste Tjiftjaf: op 24 maart, en toen ging er voor mij een wereld open. Want toen kwam ik erachter dat het overal miegelt van de vogels als je maar de kennis, het geduld en de instrumenten hebt om ze waar te nemen.

De Noordoostpolder was toen - en nu praat ik over 25-30 jaar geleden - niet bepaald een idyllisch gebied. Het was er recht en het waaide. Schilderachtige kleinschalige stukjes waren op de vingers van eén hand te tellen: het oude heggengebiedje, waar ooit pionierskamp Emmeloord Oost stond. Een zanddepot dat vergeten was bij de aanleg van de snelweg Lelystad-Lemmer. Nog meer zandafgravingen: bij Kadoelen, bij Urk, het oude waterloopkundige laboratorium bij De Voorst. Allemaal kleine, vergeten stukjes. En voor de rest was het vierkant, en recht: met om de zeshonderd meter een kavelsloot, om de 1200 meter een boerderij, en om de zes kilometer een zijweg.

Nu woon ik in Tynaarlo, en dat is wel even wat anders. Het schilderachtige knalt je hier tegemoet, en sommige beekdalen zijn zo lieflijk dat ze bijna pijn aan je ogen doen. Maar in Emmeloord had je daar geen last van. Recht toe rechtaan, wijd en zakelijk, en voor wat huiselijke natuur kwam je terecht op overhoekjes. De camping in het Emmeloorderbos, het paardenweitje bij de manege, de grasvelden van het KI-station, de begraafplaats voor die opengebroken werd met een fietspad.

Ik heb vaak het gevoel dat ik het recht heb om een bepaalde vogel te zien. Zo gesteld is het natuurlijk een onzinnige idee, maar toch: ik ben de laatste dagen fanatiek op zoek naar Beflijsters, maar het lukt me maar niet ze te vinden. Ik zoek allerlei weilanden af waar ze zouden moeten zitten, maar nee. Kramsvogels, Grote Lijsters, Spreeuwen, Merels: geen probleem. Alleen die Beflijsters: dat wil niet lukken. Toch zouden ze er moeten zitten. En ergens klopt het niet dat ik ze niet zie.


In Emmeloord liep ik in 1972 tegen mijn eerste Beflijster aan. Op het paardenweitje in het Emmeloorderbos, tussen de manege en het hertenkamp in. Het moet een glorieuze dag zijn geweest, want diezelfde dag zag ik in een oude zandbak op de camping een Draaihals. Het was voor mij een ongelooflijke ervaring: die Beflijster, in het gras, snavel schuin omhoog, heel gewoon Beflijster te zijn. En die Draaihals: ik wist niet wat ik zag. 't Beest was helemaal niet schuw, en elk detail kon ik zien: z'n merkwaardige grijsachtige kop, al die streepjes en stipjes op zijn rug, z'n vreemde, slangachtige uiterlijk.

Het raadselachtige is dat ik precies een jaar later op precies dezelfde plek weer die Beflijster, en weer die Draaihals heb gezien. De jaren daarna bleven de Beflijsters: het werden er zelfs meer, want ook op de weilanden bij het KI station zaten ze geregeld, op of rond Koninginnedag, meestal in de eerste dagen van mei. De Draaihals verdween. Ik heb hem later alleen gezien in Spanje, de Pyreneeën. Maar bij mij vatte het idee vast dat die vogels van mij waren. Zoals sinds die eerste Tjiftjaf elke eerste Tjiftjaf mijn begin van de lente is, zo waren die Beflijsters en die Draaihals er voor mij. Ik had het recht hen te zien.

Ik kan ontzettend enthousiast worden als ik een bepaalde vogel zie. Eind september vorig jaar zat ik op een bankje aan de rand van het Noordlaarderbos, toen er plotseling een IJsvogeltje aan kwam vliegen. Hij ging op een paaltje vlak voor me zitten. Ik zag hem misschien een halve minuut, maar in die tijd kon ik hem prachtig bekijken. Wat ging er toen door je heen - is de lullige vraag voor dat soort situaties, maar ik herinner me vooral de adrenalinestoot. Heel even, vanuit het blauwe hinein, zoiets moois. Ik denk dat iedere vogelaar dat wel heeft. Ik kom tegenwoordig vaak op het Molenveld. Dat is een stukje hei bij Oudemolen. Dit najaar zat er een Klapekster, en toen ik hem zag schoot mijn hart weer omhoog. Ik vraag me nu af: waarom. Toen ik Groningen woonde ben ik een keer bij een Amerikaanse Lachmeeuw geweest op het bruggetje over het Winschoterdiep. Ik was daar half voor mijn werk: een reportage maken voor TV Noord, en half voor mijn eigen nieuwsgierigheid. Toen de meeuw na een uur wachten weer opdook, gingen de soortenjagers die d'r bij waren uit hun dak. Mij deed het eigenlijk niets: leek sprekend op een vuilnisbakkenmeeuw, alleen wat anders..

Maar waarom dan wel die vreugde over een Klapekstertje op het Molenveld.
Ik denk omdat bij zo'n beest de wereld even klopt: alle losse stukjes komen op hun plaats. Op zo'n stukje heide, in zo'n jeneverbes, daar hoort een Klapekster te zitten. Ik had al heel vaak de toppen van de jeneverbessen langs gekeken, om er eén te zien. En als je hem dan echt ziet, dan klopt alles even, en dat maakt het mooi. Eventjes in paradijs van voor de zondeval, of in het Drenthe van voor de ruilverkaveling. Heb je daar recht op? Ik vind het nog niet zo'n gek idee om recht te hebben op een wereld die in ieder geval af en toe volmaakt is. En zo gezien heb je ook recht op een Beflijster op 30 april. Omdat het zo hoort. Natuurlijk zie ik hem dit jaar niet. Want ik heb nauwelijks gelegenheid om er op uit te gaan. En voor het uitoefenen van zo'n recht moet je aan bepaalde voorwaarden voldoen. Maar als je dat doet, dan mag je je rechten verzilveren. In theorie, dan.