Pachomius
Bijna 1700 jaar geleden leefde in Turkije een man, Pachomius genaamd. We zouden nooit van hem gehoord hebben ware het niet dat hij drie dochters had, drie flinke struise meiden, Maria, Anna en Isabel. En Pachomius zou zo ontzettend graag hebben dat die dochters trouwden. Maar helaas, dat kon niet, omdat Pachomius geen bruidsschat kon meegeven. Dat was toen eenmaal gebruik. en zonder bruidsschat geen huwelijk. Zo waren de regels. O, ze konden gemakkelijk aan een vrijer komen, alle drie. Elke zondagavond kwamen er wel een paar binnenvallen. en dan giechelden Anna en Maria en Isabel hoopvol en de jongelui deden zich zo goed mogelijk aan Pachomius voor. Hun haren waren gekamd en ze droegen een mooi pak en gepoetste schoenen. Pachomius zag dat graag. Zo had hij het vroeger ook gedaan. Maar hij wist ook, dat straks onvermijdelijk de beroerde vraag zou komen:"Pachomius, ik vind jullie Isabel een knap meiske; ik zou er mee willen trouwen. Maar hoe zit het met de bruidsschat?" En dan kon Pachomius maar een ding doen: eerlijk vertellen dat er niks te halen viel, niks anders dan drie knappe dochters, maar geen geld. En de vrijers dropen af.
De dochters lieten hete tranen over hun wangen lopen. Weer was er een kans voorbij, weer waren ze een week dichter bij een bestaan van oude vrijsters, waar iedereen mee lachte. Waarom had Pachomius geen bruidsschat? Pachomius was smid. Maar hij oefende dat ambacht uit met een paar linkse handen. De boeren lieten hun paarden liever beslaan bij de concurrent. Daar ging het vlugger en beter en dus goedkoper. Bovendien dronk Pachomius graag een glaasje wijn. Niemand kon hem dat kwalijk nemen. Hij was nu al tien jaar weduwnaar en had toch al niet teveel voorspoed in het leven. Dat was natuurlijk wel zo, maar het gevolg was dat Pachomius zijn dochters niet kon laten trouwen. en dat deed hem pijn. Nu zouden wij zeggen:"Maar daar zat toch ook een goede kant aan. Hij heeft nu toch zijn drie dochters in huis en de eén kan koken, de ander zijn bed opmaken en de derde de tuin bijhouden." En misschien kon hij zich daarbij troosten met de gedachte dat de maagdelijke staat een verheven staat is. Pachomius wist dat. Hij had er de pastoor meermalen over horen preken. Maar daar in Turkije golden andere regels. Ongetrouwde dochters, die zo tussen de dertig en veertig waren, werden beschouwd als een schande voor de vader. Die had ze dan niet goed opgevoed of had, zoals in het geval van Pachomius, niet gezorgd voor een voldoende bruidsschat.
Pachomius kon er 's nachts niet meer van slapen en van zijn dochters had hij ook niet vele plezier meer. Die liepen rond met koppen van driedagen onweer, omdat alle vrijers elke keer maar weer opnieuw moesten vertrekken zonder dat er ooit zoiets als een trouwpartij was. Nou was er strikt genomen nog eén kans. En er waren mensen die die laatste mogelijheid hadden aangegrepen. Drie straten verder op de hoek was een huis met dames van lichte zeden. Daar vroegen ze regelmatig nieuw personeel. Als zijn dochters daar eens een half jaar gingen werken. Dan waren ze thuis uit de kost, verdienden ze een bruidsschat en Pachomius hoefde niet de hele dag tegen die chagrijnige gezichten aan te kijken. Maar nee, dat kon niet. Het stuitte hem tegen de borst zijn lieve dochters aan de schande over te leveren. Bovendien zouden ze zelf ook wel niet willen.
De bisschop, dat was eén van zijn beste klanten. Die liet ondanks alles altijd zijn prachtig wit paard bij Pachomius beslaan. Die bisschop heette Nicolaas en was wijd en zijd bekend om zijn goedheid en wijsheid. Toen Pachomius op een nacht weer niet kon slapen hoorde hij iemand door de tuin naar zijn huis toe sluipen. Even later viel er iets binnen door het open raampje van de keuken. Stil sloop Pachomius ernaar toe. Daar lag een kleine zak, gevuld met goudstukken, en daarbij een briefje: voor Anna. Pachomius liep er onmiddelijk mee naar de slaapkamer van zijn dcohters en liet zien wat hij gevonden had. Diezelfde week trouwde Anna nog. Vrijers kwamen er genoeg toen bekend werd dat Pachomius een bruidssschat had. Een week later viel er weer een pakje binnen, nu voor Maria. En weer werd er getrouwd. Maar wie was die gulle gever? Pachomius sliep niet meer. Hij ging in de tuin achter een struik zitten om te zien wie daar 's nachts in de maneschijn naar zijn huis toekwam. en zijn geduld werd beloond. De derde nacht zag hij de bisschop aankomen, met de mijter op en de staf in zijn hand. en weer gooide die een zak met goudstukken binnen. en Isabel kon ook trouwen.
Pachomius was als in de hemel. Maar ook de bisschop had iets geleerd. Hij wist nu dat het ontzettend prettig was 's nachts mensen te verrassen. Hij is dat ook blijven doen, zijn leven lang. en toen hij stierf vroeg hij aan Petrus of hij daar niet mee door mocht gaan. En zo is het gekomen. Hij doet het nu bijna 17 eeuwen en weet nog van geen ophouden. Nog steeds opd at witte paard dat Pachomius zo deskundig van hoefijzers voorzag. Ik hoop dat hij ook bij jullie komt.
Jan van Hout
Uit: Van Kerstkind tot Sinterklaas, verhalen uit de Acht Zaligheden.
Uitgeverij Abdij van Berne, Heeswijk 1999
ISBN 90 76242 127