Drie jongens
In het jaar 320 - dat is dus al heel lang gelden - vestigde zich een
slager in een klein stadje in wat nu Turkije heet. Dat stadje was Myara
en de slager heette Isidoor. Die slager durfde heel wat aan. Hij kwam
in een stadje trecht waar men tot dan toe nauwelijks vlees at. Dat hadden
de bewoners niet nodig. Hun woonplaats lag aan de zee en nergens werd
zo'n lekkere vis gevangen als in de zee bij Myra. En nergens ook waren
zulke goede vissers.
Elke dag lag er volop verse vis op de markt, in wel tien soorten. Wat
kwam die slager dan doen? Die slager kwam omdat hij tot dusver nog nergens
geslaagd was met zijn bedrijf. Al op vier plaatsen had hij geprobeerd
een slagerij te beginnen, maar elke keer was dat misgelopen. Hij kreeg
ruzie met zijn klanten en eigenlijk elke keer omdat hij zijn vak niet
kende. Het vlees was of bedroven of te sterk gezouten, altijd was er
iets mee en smaken deed het nooit. Ten einde raad was Isidoor naar Myra
gekomen. Hier kenden ze hem niet, en als hij nou zorgde dat hij steeds
goed en vers geiten- en schapenvlees had dan zou het misschien hier
wel lukken. Maar het lukte niet. De mensen bleven op de markt vis kopen
en liepen zijn slagerij voorbij. Tot groot verdriet en ergernis van
Isidoor.
In Myra zwierven in die tijd drie vreemde jongens rond. Niemand wist waar ze vandaan kwamen of hoe ze heetten. Ze woonden ook nergens. 's Nachts sliepen ze in portieken van grote huizen of zomaar ergens onder de heggen van het park. Hun eten bedelden ze bij elkaar, en als ze niet genoeg konden krijgen gingen ze ook wel eens uit stelen. De gerechtsdienaren waren al meerdere keren achter hen aan gegaan. Dan werden ze gevangen genomen en de rechter wees hen het land uit. Maar er was geen land waar ze naar toe konden, en dus werden ze dan weer vrijgelaten en begonnen ze weer te zwerven. Ze begonnen steeds meer bij Myra te horen. en de mensen gaven ze maar op tijd wat ten of kleren in de hoop dat ze dan niet zouden komen stelen. Ze hadden nog steeds geen namen, maar in de stad werden ze 'onze jongens' genoemd. Zo heeft elke stad wel iets en de meeste Myranezen waren hier heel tevreden mee.
Op een dag kwamen de drie jongens in de winkel van Isidoor en vroegen een stukje vlees. Ze hadden at al vaker gedaan, maar elke keer had Isidoor henkwaad weggestuurd en gezegd dat ze maar moesten werken voor de kost net als hij dat deed. en dat ze anders de gevangenis in moesten en dat hij ze wel bij d epolitie aan zou geven. De jongens wisten dat wel, maar juist daarom gingen ze wel eens naar Isidoors winkel. Hij kreeg altijd zo'n mooi rood gezicht als hij kwaad werd en dan zwaaide hij zo mooi driftig met zijn kleine armen. Natuurlijk was dat niet goed van de jongens, maar te begrijpen was het wel. Deze keer was Isidoor echter opmerkelijk vriendelijk. Hij vroeg ze zelfs om mee te komen naar achter, daar lag nog wat vlees. Maar toen ze daar waren, sloot hij ze op in een cel waar hij anders vlees in bewaarde. En hoe de jongens ook riepen of smeekten, hij liet ze er niet uit.
Wat er die nacht gebeurde is zo verschrikkelijk dat ik het niet kan vertellen. De dag erop stond Isidoor voor zijn huis te roepen dat hij vers vlees had, vers pekelvlees, zoals de mensen nog nooit geproefd hadden en dat ze het voor de halve prijs konden kopen. Maar de mensen liepen voorbij naar de markt en kochten verse vis. Toen zag Isidoor toch een klant aankomen. Het was de bisschop van Myra. In vol ornaat met zijn tabberd aan, zijn mijter op zijn hoofd en zijn staf in de hand schreed hij recht op de winkel van Isidoor af. Op zich was dat heel gewoon. De bisschop van Myra, die volgens de oude boeken Nicolaas heette, deed wel vaker zelf de boodschappen. Dan maakte hij onderweg een praatje met iedereen en betaalde de boodschappen van de armen. Nu zag Isidoor hem aankomen. en hij hoopte dat de bisschop een goede klant zou zijn, maar bibberde ook bij de gedachte dat die Nicolaas iets zou ontdekken.
De bisschop trad binnen en bestelde een pond pekelvlees. "Dat heb ik wel"' zei Isidoor,"maar het moet eigenljk nog even staan, het moet nog wat malser worden. Ik kan uwe excellentie beter dit stukje schapenvlees aanraden." "Zo" zei Nicolaas, "is het pekelvlees nog niet goed? Dat is dan jammer. Maar misschien wordt het beter als ik er mijn zegen over geef, mijn bisschoppelijke zegen."
En dit zeggend trad hij op de ton met pekelvlees toe die in de hoek stond. Met een breed gebaar maakte hij er een groot kruisteken over heen en sprak daarbij heilige woorden in een vreemde taal. Op datzelfde moment begon er leven te komen in de kuip. Alles bruiste en bewoog, een vuurstraal schoot erin vanaf de ring van de bisschip en rook steeg eruit op. En voor Isidoor van de schrik bekomen was stonden daar in de kuip de drie jongens van Myra. Gezond en wel, lachend naar de bisschop. Er was maar eén verschil met voorheen. Hun huid was om een ondoorgrondelijke reden donker geworden. De bisschop keek de drie jongens aan en zei:"Nu zal ik jullie eerst eens een naam geven." En hij noemde ze Pedro en Pieter en gewoon Piet. alle drie zijn ze toen met de bisschop meegegaan en werden de knechtjes van Nicolaas. En om hun donkere huidskleur werden ze later Zwarte Piet, Pedro en Pieter genoemd. En zo is dat gebleven tot nu toe.
En hoe ging het met Isidoor? Isidoor viel op zijn knieën voor de
bisschop neer en smeekte om vergeving en genade. De bisschop sprak hem
bestraffend toe en liet hem zweren dat hij het nooit meer zou doen,
dat hij Myra zou verlaten en ergens anders opnieuw zou beginnen, maar
dan niet als slager. Isidoor beloofde dat met tranen in de ogen. Toen
vergaf Nicolaas hem in de Naam van God. Wij zouden dat misschien niet
gedaan hebben, maar Nicolaas wel want dat was toen al een heilige.
Jan van Hout
Uit: Van Kerstkind tot Sinterklaas, verhalen uit de Acht Zaligheden.
Uitgeverij Abdij van Berne, Heeswijk 1999
ISBN 90 76242 127
De illustratie is een middeleeuwse houtsnede, gevonden in het boek:
Sint-Nicolaas, leven en legende, van Maartin Ebon en Marijke van Raephorst.